Ik vond een vreemd dagboek in de Efteling en wou dat ik het niet gelezen had
Is het wel écht zo gezellig in mijn favoriete pretpark?
We gingen laatst naar de Efteling. Ik had alleen warme herinneringen aan mijn favoriete pretpark, maar nu twijfel ik of het er wel écht zo gezellig is.
Het spookslot wordt verbouwd, en toen we erlangs liepen zag ik het uit een muur steken: een rood schrift. De felle kleur viel op tussen de donkere stenen. Ik trok het er met wat moeite uit.
Het was een schokkend dagboek van een andere parkbezoeker, geschreven in een kriebelig handschrift. Tijdens de ellenlange wachtrijen heb ik het helemaal gelezen. Ik was zo geïntrigreerd dat ik foto’s van de pagina’s heb genomen. Hieronder wat uitgetypte fragmenten op een rij.
Zondag
Mijn psychiater adviseerde me een dagboek bij te houden, omdat ik zo van schrijven houd. Over mijn gedachten en gevoelens. Volgens haar kan het me helpen bij mijn herstel. Ik heb mijn twijfels, maar daar gaan we dan.
Genoeg om over te schrijven vandaag, want een fijne dag liep uit op mijn vreemdste ervaring ooit.
Ik voelde me eindelijk weer eens gelukkig, toen ik vanochtend met mijn broertje de Efteling binnenstapte.
Ze hebben vier nieuwe achtbanen gebouwd sinds ik er voor het laatst was, en we konden niet wachten ze uit te proberen.
Het was op weg naar een van die achtbanen dat ik hem voor het eerst zag.
Ik ving zijn blik per ongeluk. We passeerden een eettentje achter het spookslot en mijn ogen dwaalden af naar de ramen erboven.
Daar stond hij.
De pop was niet per se goed gemaakt, maar viel op. Misschien was het omdat hij recht naar me keek, een woedende blik in zijn scheve, gerimpelde gezicht. Zijn ogen schokten me het meest, omdat ze zo levensecht waren. Ik kon zijn boosheid en pijn voelen.
Ik besteedde er toen niet veel aandacht aan, maar deed het af als een creepy toevoeging aan het spookhuis. Terwijl we doorliepen en de pop uit zicht verdween, ebde mijn onbehaaglijke gevoel weg.
De achtbaan was fantastisch. Ik riep uit dat ik nog een keer wilde, maar mijn broertje had honger, dus we slenterden terug naar het eettentje bij het spookhuis. Terwijl hij zijn ijsje haalde, bezocht ik de wc ernaast.
Mijn blik gleed opnieuw naar het raam, naar de pop.
En ik verstijfde.
Hij was er niet meer. De pop was verdwenen. Ik staarde vol ongeloof naar de lege vensterbank en controleerde de andere ramen. Hij was echt weg.
Net toen ik het wilde afdoen als toeval (‘zal wel meegenomen zijn voor onderhoud’), zag ik een deur onder het raam, die op een kier stond.
Normaal gesproken had ik er niet eens over nagedacht naar binnen te gaan. Maar de deur had een vreemde aantrekkingskracht, alsof ik werd uitgenodigd. Ik gluurde naar rechts, waar mijn broer nog steeds in de rij stond, en kon mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen. Ik sloop dichterbij en glipte naar binnen.
Ik was in een ontzettend stoffige, donkere gang. Een houten trap leidde naar boven. Na een kort moment van twijfel stapte ik op de krakende treden, spinnenwebben vermijdend.
De ruime kamer die ik betrad was net zo stoffig als beneden en gaf me een vreemd gevoel, ondanks het feit dat er helemaal niets of niemand te bekennen was. Geen pop.
De lucht voelde zwaar en benauwd, en ondanks de grote ramen scheen er amper licht naar binnen. Terwijl ik rondsloop, de houten vloerplanken zachtjes kreunend onder mijn voeten, voelde ik me een indringer.
Net toen ik rechtsomkeert maakte trok iets in een donkere hoek mijn aandacht.
Ik pakte het verfrommeld stukje papier op, hoestend door de opdwarrelende stof. Het was een boodschap.
Ritueel uitgevoerd in de ruimte achter het spookhuis. Zou geen schade meer moeten aanrichten. Maar de kamer is aangetast. Beter om geen mensen meer binnen te laten.
B.
Ik fronste mijn wenkbrauwen. Net toen ik het papiertje liet vallen, greep iemand me bij mijn schouders.
Geschrokken draaide ik me om en keek recht in het gezicht van een parkmedewerker. Hij was op leeftijd, vermoedelijk in de 70, en kwam me vaag bekend voor.
“Wat doe je hier, jongen”, gromde de man. “Verboden voor onbevoegden.”
“De deur was open”, mompelde ik. “Dacht dat het bij het spookhuis hoorde.”
“Geen sprake van”, antwoordde de man. Zijn ogen flitsten naar iets achter me. “Op zoek naar een nieuw slachtoffer, hè?” mompelde hij. Toen gleed zijn blik weer naar mij. “Eruit! Nu!”
Ik glipte al langs hem, naar de trap. Net voordat ik naar beneden stormde, waagde ik één blik achterom. Daar stond de parkmedewerker, die geen enkele moeite deed me te volgen.
Maar achter hem dook iemand anders op. Voor ik de figuur goed kon ontwaren, was ik het trapgat door en waren ze beiden uit zicht verdwenen.
“Wow, je ziet zo wit als een lijk”, zei mijn broertje, die kwam aanwandelen met zijn ijsje. Ik stond maar net buiten en mijn hart bonkte nog steeds in mijn keel.
Hij wist dat ik kampte met paniekaanvallen en legde een hand op mijn schouder. “Voel je je wel goed? Wil je even zitten?”
Ik forceerde een glimlach. “Nee, het gaat prima. Laten we die achtbaan nog een keer proberen.”
Mijn ogen dwaalden af naar het raam terwijl we wegliepen. Niemand.
Het incident was al bijna uit mijn gedachten toen we rond zessen naar de uitgang liepen. Tot we het spookslot passeerden en mijn hart oversloeg.
De pop was terug. Hij keek boos op me neer. En ik zag plotseling waarom die oude parkmedewerker me zo bekend was voorgekomen.
Hij was het. Niet een vage gelijkenis; de pop had exact hetzelfde gezicht als de oude man.
Ik ben nu een paar uur thuis, maar voel me nog steeds vreemd. Ik denk dat ik een serie aanzet en vroeg ga slapen.
Donderdag
Blijkbaar vergeet je enge poppen niet zo snel. Ik ben behoorlijk van slag door afgelopen weekend.
Maar het is niet alleen een gevoel, er gebeuren vreemde dingen. Ten eerste weet ik zeker dat ik bekeken word.
Het maakt niet uit waar ik ben: in de kantine op werk, op de fiets of gewoon in de wc, het voelt alsof er altijd iemand achter me staat, hijgend in mijn nek.
Soms zou ik zweren dat er letterlijk een schaduw over me heen hangt.
De nachten zijn erger. Normaal gesproken kijk ik tv en val direct in slaap, maar de laatste tijd lukt dat niet. Het is het vreemde geschraap over mijn raam. Het begint zodra ik indommel.
Krrr, krrr, krrr.
Ik heb geprobeerd een logische verklaring te bedenken, maar ik weet niet wat. Er zijn geen bomen in de voortuin, dus takken kunnen het niet zijn.
Het is alsof er iemand met lange nagels over het raam gaat.
Ik heb geprobeerd het raam te checken, maar dat lukt niet. Zodra ik één been uit bed steek, stopt het geluid abrupt.
Als ik al mijn moed verzamel en richting het raam sluip, denk ik een schaduw te zien, achter het glas. Maar iets zorgt ervoor dat ik niet verder kan. Pure angst, of een andere kracht houdt me tegen.
Als ik uiteindelijk weer onder de dekens kruip, hoop ik dat het geluid niet terugkeert. Maar dat doet het altijd.
Dit is mijn derde slapeloze nacht. Ik denk ik dat ik morgen naar mijn psychiater ga.
Vrijdag
Ik heb mijn psychiater alles verteld, zelfs het verhaal over de Efteling. Geen idee of ze het geloofde, maar ze heeft wel iets voorgeschreven om me te helpen slapen.
Jammer, ik dacht dat ik eindelijk van de pillen af was. Maar ik heb weinig keus, want ik ben zo, zo moe. Nu we het er toch over hebben: ik neem zo’n pil en ga naar bed. Ik heb slaap nodig.
Zaterdag
Wat een verschrikkelijke dag. Ik kom net terug van werk en mijn hart gaat nog steeds tekeer. Fuck, ik denk dat ik gek word. En dat terwijl ik eindelijk eens goed had geslapen.
Het gebeurde toen ik terugfietste. Ik moet altijd door het park, waar amper lantaarnpalen staan. Terwijl ik de miezerregen trotseerde, zag ik iemand tussen de vijver en het fietspad.
Ik dacht er eerst niet over na; het was nog maar 21:00 en het is een populaire hondenuitlaatplek.
Maar toen ik dichterbij kwam realiseerde ik me dat er iets niet klopte. De slanke gestalte had een menselijke vorm, maar was roerloos. Alsof het afwachtte.
Mijn instincten schreeuwden me om te keren, maar ik deed het niet. Ik wilde niet. Gewoon iemand die een ommetje maakt, hield ik mezelf voor.
Mijn fiets naderde de figuur en een hoofd met lang haar keerde zich langzaam om.
Niets om je zorgen over te maken, vertelde ik mezelf, je maakt jezelf gek.
Ik reed erlangs en probeerde niet te kijken, maar deed het toch. Een magere witte hand schoot naar voren en ik viel bijna van mijn fiets om hem te ontwijken. Ik ving een glimp op van lange nagels, glinsterend in het maanlicht, en ogen met bloedrode pupillen.
Met een angstkreet zette ik mijn voeten in de pedalen en racete naar huis.
Ik kan dit niet meer aan. Het moet stoppen. Ik moet weten waarmee ik te maken heb.
Zondag
Ik heb de hele dag gezocht naar informatie over die vreemde pop. Op een of andere manier weet ik zeker dat daar alles mee begonnen is.
Het was een teleurstellende onderneming, tot ik een fotogalerij vol oude Efteling-foto’s uit de jaren 60 vond. Ik scrollde gedachteloos door de lijst, en toen viel ik bijna van mijn stoel.
Ademloos staarde ik naar de zwart-wit foto. Er was geen twijfel over mogelijk. Daar, achter de knoppen van een attractie, stond de oude parkmedewerker die me in de kamer had betrapt.
Het schokkende was dat hij er net zo uitzag als afgelopen weekend. Alsof hij in al die decennia geen dag ouder was geworden. Op de foto keek hij niet boos, maar gelukkig, met vriendelijke ogen en een glimlach.
Ik heb de foto opgeslagen op mijn telefoon. Ik moet weten wie dit is. Morgen ga ik terug naar de Efteling.
Zelfverzekerd als ik ben, kan ik de schaduw bij het raam bijna negeren.
Fuck it. Ik neem nog een slaappil.
Maandag
Terwijl ik dit schrijf ben ik écht in het park en is de avond net gevallen. Ik kan het zelf amper geloven, maar zal mijn dag beschrijven.
Door die slaappil schrok ik veel te laat wakker. Het was diep in de middag toen ik eindelijk voor de ingang van de Efteling stond.
Ik liet een van de kassamedewerkers de foto zien, met een smoes dat ik een artikel over de oude man wilde schrijven.
Ze gaf me een vreemde blik en belde een van haar collega’s. Het begon te schemeren toen ze eindelijk kwam opdagen: een oudere dame met een vriendelijk gezicht.
Ze schudde mijn hand en zei dat ze Dineke heette. Ik schatte haar begin 70.
We gingen op een bankje zitten en ik liet haar de foto zien, opnieuw met de smoes over het artikel. Haar gezicht veranderde van relaxed naar ongemakkelijk.
“Oh ja”, begon Dineke. “Bob. Iedereen herinnert hem zich. Van mijn begintijd bij het park, in ieder geval.”
“Werkt hij hier nog steeds?” vroeg ik snel, terwijl ik het antwoord al wist.
“Natuurlijk niet”, zei Dineke met een frons. “Die foto is meer dan 55 jaar geleden genomen. Bob was toen mijn leeftijd. Hij zou al lang dood moeten zijn. En…”
Ze was een moment stil. Ik keek haar verwachtingsvol aan.
“Ik was 15, dus ik weet de details niet”, aarzelde ze. “Iedereen wist van Bob en zijn buien. Nu zou je het depressies noemen. Hij had slechte ervaringen uit de oorlog. Een concentratiekamp overleefd, zijn halve familie verloren.”
“Maar in het park leek hij gelukkig. Een van de redenen dat hij aanbleef tot na zijn pensioen, gok ik. Daarom ben ik er ook nog”, lachtte Dineke. “Tot die ene dag, in 1968. Rond de tijd dat die foto is genomen, denk ik. Er was iets met het spookslot. Een van de poppen ging stuk en dat had een bizar ongeluk veroorzaakt.”
Ik slikte. Mijn mond was kurkdroog.
“In ieder geval, die pop moest weg en Bob had een vreemde fascinatie met het spookhuis”, ging Dineke verder. “Hij zei dat hij er wel raad mee wist. De ouwe had wat ervaring als monteur, dus daar ging hij, de pop over zijn schouders.”
Ze bleef even stil en vervolgde met zachte stem: “We hebben hem nooit meer gezien. Ik kan me zijn laatste woorden nog herinneren, want ze klonken vreemd: ‘Wens me geluk,’ zei hij, ‘Ik voel dat ik het nodig heb’. De politie vond nooit een spoor. Hetzelfde geldt voor de pop.”
Dinneke schudde haar hoofd en zei: “Ze concludeerden dat hij ergens zelfmoord had gepleegd, vanwege zijn mentale problemen. Arme man.”
“De pop”, vroeg ik. “Zag die eruit als de pop bij het raam achter het spookslot? Boven de eettent?”
Ze fronste opnieuw. “Die oude knar? Nee. Het was een meisje in witte jurk. Mooi, met rode ogen en vieze lange nagels. Knap werk.”
Ik dacht aan mijn ontmoeting op de fiets en mijn maag keerde zich om.
Na een diepe stilte keek Dineke op haar horloge en stond op. “Ik moet gaan. Mijn man heeft er een hekel aan als ik laat ben voor het eten.” Ze gaf me een kaartje met een emailadres. “Stuur me het artikel als het klaar is, oké? Ik ben benieuwd.”
We zeiden gedag. Terwijl Dineke naar de medewerkersingang beende, nam ik een snelle beslissing. Op voldoende afstand, zodat ze me niet opmerkte, sloop ik achter haar aan.
Ik kon de deur nog net vastgrijpen voordat die in het slot viel en glipte het park in.
Nu zit ik hier, verstopt in een afgelegen deel van de Efteling. Ik ben doodsbang, maar ik moet terug naar die kamer. Als ik Bob opnieuw ontmoet, vind ik antwoorden. Dat voel ik.
Maandagavond
Dit is mijn laatste bericht. Het is gelukt. Ik ben er, in de kamer. Toen het laat genoeg was ben ik naar het spookhuis geslopen.
De pop stond voor het raam, zijn silhouette net zichtbaar in het schaarse maanlicht.
Mijn hart bonkte in mijn oren terwijl ik de deur probeerde. Die gaf meteen mee. Opnieuw schreeuwden mijn instincten dat ik niet omhoog moest gaan.
Maar mijn voeten handelden sneller dan mijn hoofd. En daar stond ik weer, in de lege kamer. Er was niemand.
Maar het duurde niet lang voordat ik handen op mijn schouders voelde. Een zachte aanraking dit keer.
“Waarom ben je teruggekomen?” vroeg Bob verdrietig. Ik was te geschokt om me om te draaien of te antwoorden. “Je was ontsnapt. Maar ik vrees dat het te laat was. De verschrikkingen van deze wereld weten je overal te vinden, als ze hun brandmerk hebben gezet. Net zoals ze mij vonden.”
Hij was even stil en sprak toen tegen iemand die ik niet zag. “Ah, daar ben je. Hij is van jou. Het spijt me, jongen. Maar het is fijn om weer wat gezelschap te krijgen, na al die jaren.”
Ik voelde haar aanwezigheid voordat de slanke gestalte opdoemde. Ze was inderdaad mooi, als je haar bloedrode ogen en de onbestemde vlekken op haar witte jurk negeerde.
Ze grijnsde en ontblootte scheve, gele tanden. Ik kon niet bewegen. Het meisje stak haar arm uit en beroerde mijn schouder lichtjes met lange, zwarte nagels.
Plots raasde wanhoop door mijn lichaam, gevoelens waarvan ik dacht dat ik ze een plek had gegeven. Maar dat was niet zo. Er was niets om voor te leven.
De tranen biggelden over mijn wangen. Ik schudde haar arm van me af en begon te rennen.
Ik heb zo lang gerend, maar het maakt niet uit. Steeds als ik door de uitgang struikel, kom ik weer in deze kamer terecht. Ze hebben me in de val gelokt. Of zat ik de hele week al in de val?
Deze laatste zinnen schrijf ik vanuit een donkere hoek. Enkel de zaklamp van mijn telefoon verlicht de pagina’s. Bereik is er niet en mijn accu is bijna leeg. Ik weet niet waarom ik dit afmaak.
Ik wil gewoon niet vergeten worden.
Ze heeft me even alleen gelaten, maar ik voel haar dichterbij komen. Ik kan niet langer vluchten. Te moe. Wens me geluk.
Ik voel dat ik het nodig heb.
Oké, dit is duidelijk een grap van iemand met veel fantasie, dacht ik bij die laatste, vluchtig neergepende woorden.
Maar toch. Ik moest het weten.
Aan het einde van de dag kostte het mijn vriendin en ik tien minuten om ons door de mensenmenigte te wurmen. Maar toen stonden we er eindelijk: achter het spookslot, bij die eettent. Om ons heen was de verbouwing in volle gang.
Ik keek op naar het raam en inderdaad; daar was de pop. Zo eng als in het dagboek was hij niet. De verf bladderde van zijn gezicht en hij droeg vodden. Ik zag geen deur onder het raam.
De echte verrassing kwam pas toen ik mijn blik langs de andere ramen liet gaan.
Rechts van de oude man stond een andere pop, een jongeman met een bleek gezicht. Hij keek wanhopig.
En toen zag ik het, in zijn rechterhand.
Een rood schrift.
Ik voelde in mijn rugzak. Het dagboek was weg.
Verder onderzoek kon ik niet doen, want we werden weggestuurd door een beveiliger. De foto’s die ik van de pagina’s heb genomen zijn het enige bewijs dat ik het schrift ooit in mijn handen had.
Maar ik weet zeker dat ik de jongen volgende keer weer ga opzoeken. Dat zou jij ook moeten doen. Hij wil duidelijk niet vergeten worden.
En zie je ooit een open deur achter het spookslot, zorg dan dat je de verleiding weerstaat.


