Ik werk op een afgelegen tankstation. Niemand houdt hier de nachtdienst vol. Deel 2.
“Is er iets?” vroeg Lisa, nadat ons gesprek weer stilviel. Normaal hield haar gezelschap me rustig tijdens de nachtdiensten. Dit keer niet.
“Is je oma weer langs geweest?” vroeg ze met ingehouden adem.
Ik schudde mijn hoofd. “Nee, ik… sorry. Het is gewoon…”
Lisa keek me verwachtingsvol aan.
“Wil je een keer naar de bios?” flapte ik eruit. In mijn wanhoop om niets te vertellen, was dat het eerste wat me te binnen schoot.
Lisa staarde me een moment verbouwereerd aan en mijn maag keerde zich om. Maar toen glimlachte ze. “Tuurlijk. Leuk.”
Een zucht viel over mijn lippen. Lisa hoorde het en giechelde. “Dus dat zat je dwars? Mij op date vragen?”
“Eigenlijk wel ja”, loog ik. De blijdschap die ik voelde verdrong mijn gedachten aan die ene avond bijna.
Bijna.
Het was ijskoud geweest buiten, maar ik bleef minutenlang staan zonder het te voelen. Met open mond staarde ik naar de persoon achter de toonbank.
Ik kende de houding, het gezicht. Niet Ronnie. Iets ergers.
Daar stond ik.
De andere Jochem floot vrolijk mee met de vreemde muziek, terwijl hij wat producten sorteerde.
Het kwam niet eens in me op om mijn hand op de deurklink te zetten en naar binnen te stappen. Ik was te geschokt. Wat zou jij doen, als je jezelf zou zien?
Het duurde misschien vijf minuten voor hij me in de gaten kreeg.
Mijn dubbelganger was klaar met uitzoeken en keek op. Ik kruiste blikken met mezelf.
We keken elkaar kort aan voor hij met een brul naar voren stormde. Ik deinsde achteruit, maar de andere Jochem kwam niet naar buiten. In plaats daarvan bleef hij voor de deur staan en begon achter het glas naar me te schreeuwen.
“Ik wil dat je me met rust laat, hoor je? Je bent niet echt! Oprotten!”
Met grote ogen staarde ik hem aan, geen idee hoe ik moest reageren, of hoe ik in deze nachtmerrie was beland.
Tot mijn schrik zag ik dat er tranen in zijn ogen stonden. Zijn lippen bewogen, maar ik kon hem niet langer horen. “Laat me met rust”, leek hij te prevelen.
Iemand tikte op mijn rug en ik draaide me met een ruk om. De oudere man keek me verschrikt aan en stamelde: “Eh, ik wil graag betalen. Pomp 3.”
Ik antwoordde niet, draaide terug naar de winkel. Alles was verlaten.
Dat was nu een week geleden, en ik had gebeden dat het niet nog eens zou gebeuren. Zelfs mijn rookpauzes had ik ervoor uitgesteld. Goede manier om van mijn verslaving af te komen, dat wel.
Het vooruitzicht op een date met Lisa leidde even af, maar ik voelde een steek in mijn maag toen ze zei dat ze moest gaan.
Het was nog maar een uur of twaalf, er lag nog een lange nachtdienst voor me.
Ik liet niets merken. “Ah, oké. Zie je snel weer dan.” Stiekem wilde ik vragen wanneer ze tijd had om naar de bios te gaan. Ik deed het niet, was bang dat ze me opdringerig zou vinden.
Maar Lisa verbaasde me door achter de toonbank te drentelen en me een kus te geven. Voor ik kon reageren was ze al door de deur verdwenen.
Ik keek haar verdwaasd na en bedacht me dat ik nog steeds haar nummer niet had.
Lang gebeurde er niets. Even dacht ik dat dit eindelijk een rustige nachtdienst zou zijn.
Ik overwoog zelfs om gewoon naar buiten te gaan voor een sigaretje. Had ik het me niet allemaal verbeeld? Slaaptekort, of zo? Ik was nog steeds niet gewend aan dit nieuwe ritme.
Maar toen ik op het punt stond naar buiten te gaan, hoorde ik iets. Er kroop kippenvel over mijn rug.
Stemmen.
Het was een dof gemompel, zoals ik dat tijdens mijn eerste nachtdienst ook had gehoord.
Angstig staarde ik naar de ramen, maar er was niets te zien. Het geluid leek ergens anders vandaan te komen.
Van binnen.
Ik sloop behoedzaam door de winkel, op zoek naar de bron, een wee gevoel in mijn maag. De stemmen bleven door de ruimte klinken, al verstond ik geen woord van wat er gezegd werd.
In de hoek van de winkel werd het geluid luider en ik zag een ventilatierooster dat me nooit eerder was opgevallen. Ik hurkte en bracht mijn hoofd naar de opening.
En plotseling klonken de stemmen luider. Ik ving enkele woorden op.
“Moet iets doen… kan niet langer… Help ons…”
Het ging maar door, totdat ik al mijn moed bij elkaar greep en riep: “Hallo? Is daar iemand?”
De stemmen vielen weg en het was ineens doodstil in de winkel.
“Hallo?” herhaalde ik. Niets.
Maar net toen ik overeind wilde krabbelen, werd de stilte doorbroken door een ijzingwekkende kreet om hulp.
Van schrik verloor ik mijn evenwicht en viel hard op de plavuizen van de winkel. Ik vloekte.
Zonder erbij na te denken kroop ik naar het rooster en wrikte eraan. Maar het zat muurvast.
Na een tijdje vergeefs proberen nam ik mijn plek achter de toonbank weer in. De schreeuw was het laatste dat ik die avond hoorde.
Onwillekeurig speelde ik de stemmen opnieuw af in mijn hoofd. Een man en een vrouw, dat wist ik zeker. Ik wilde er niet aan denken, maar deed het toch.
Had een van de twee als mij geklonken?
Ik had zin in een sigaret, maar bleef staan.
“Anja, weet jij of we een kelder hebben?”
Mijn collega, die me om een uur of zeven afloste, keek me met opgetrokken wenkbrauwen aan. “Niet dat ik weet. Hoezo?”
Ik haalde mijn schouders op.
“Heb je weer wat gezien?” vroeg ze meelevend.
“Weet niet”, mompelde ik. “Verbeelding misschien.”
“Die nachtdiensten”, zei Anja hoofdschuddend.
“Iemand moet het doen.”
“Da’s waar. Oh, trouwens, de baas wil je spreken. Ze staat buiten.”
Ik keek haar verbaasd aan. “De baas?” Die had ik nooit ontmoet, mijn sollicitatie was via een uitzendbureau gegaan.
Het belletje van de deur ging en Anja liep weg om de klant te helpen. “Zie je morgen.”
Het was een mooie lenteochtend toen ik naar buiten stapte. Met het uitgestrekte maïsveld en de groene weilanden zag het er bijna pittoresk uit.
Ik had alleen maar zin om in bed te duiken.
De baas had andere plannen. Ze stond me op te wachten, haar Audi schuin geparkeerd naast de pompen.
“Ah, onze nieuwe aanwinst.” De vrouw stak haar hand uit. Ze had een smal, wezelachtig gezicht. “Dirksen. Aangenaam.”
“Jochem”, zei ik, terwijl ik haar hand schudde.
Ze glimlachte. Op een of andere manier stelde het me niet gerust. “Dus jij bent degene die hier de nachtdiensten trotseert.”
“Klopt. Iemand moet het doen”, herhaalde ik wat ik tegen Anja had gezegd.
Dirksen knikte instemmend. “Vertel eens, wat heb je allemaal meegemaakt? Welke bezoekers krijg je?”
“Eh, weinig klanten. Het is tenslotte nacht. Wat vrachtwagenchauffeurs.”
Ze kauwde op haar wang, knikte afwezig. “Oké, oké, en andere… bezoekers?”
Ik begon me ongemakkelijk te voelen. Vol verlangen staarde ik naar mijn fiets, die een paar meter achter de baas stond. Ze bleef me verwachtingsvol aankijken.
Toen begon me een beetje te dagen wat ze met andere bezoekers bedoelde.
“Bedoelt u…”, begon ik nerveus. “Bedoelt u Ronnie?”
“Ronnie. Nee, niet Ronnie. Iedereen ziet Ronnie.”
“Dan… nee. Geen andere bezoekers.” Ik peinsde er niet over om mijn dubbelganger te noemen, of de stemmen. Dat leek me iets dat ik beter voor mezelf kon houden. Ik wist nog steeds niet zeker of ik gek aan het worden was.
Dirksen leek teleurgesteld in mijn antwoorden. “Ah, oké. We dachten dat iemand met jouw specifieke… enfin. We spreken elkaar weer.”
Zonder nog maar iets te zeggen, stapte ze in haar auto en reed weg. Even keek ik haar verbaasd na, voor ik opgelucht naar mijn fiets drentelde.
Maar in mijn haast om te vertrekken grabbelde ik mijn fietssleutel iets te enthousiast uit mijn broekzak. De bos schoot uit mijn handen. “Nee!” riep ik, want het ding kletterde op de grond, pal naast een afvoerput.
Opgelucht boog ik om de sleutels van de grond te rapen, wierp een willekeurige blik naar beneden.
Halverwege verstijfde ik.
Daar, achter het rooster, keek iemand me recht aan. Ik herkende hem. “Help me”, fluisterde de andere Jochem, doodsangst in zijn ogen.
Zonder nadenken griste ik de sleutels van de grond en rende naar mijn fiets, racete weg zo snel als ik kon.
In mijn wilde aftocht begon ik weer te bidden. Te smeken. Dat dit het laatste was wat ik hier zou zien.
Maar het was slechts het begin.



New fear unlocked: afvoerputjes
Wat een talent ben je toch!
Enige minpuntje is het moeten wachten op de volgende… 😉