Ik ben boswachter. Er zijn dingen die we bezoekers niet vertellen. Deel 4.
Daar stond ik, bij het meertje. Het was vroeg in de ochtend. Doodstil.
Te stil.
Ik wierp een schichtige blik op het eilandje, en mijn hart sloeg over toen ik beweging zag.
Maar het was een boompje, zachtjes wiegend in de wind. Een zucht van opluchting viel over mijn lippen.
De klus was net afgerond, dus ik keerde het water de rug toe en stapte richting bos. Dolblij dat ik dit keer met rust gelaten was.
Een geluid stokte me in mijn passen.
De stem kwam van ver, wat er gezegd werd hoorde ik niet. Maar ik wist zeker dat het een kind was.
Ik voelde kippenvel over mijn hele lichaam, wilde me niet omdraaien, wilde absoluut niet zien wat daar achter me was. Ik deed het toch.
Daar, op het eilandje, stond het kleine meisje.
Maar dit keer was ze niet alleen.
Ze stond hand in hand met een jongetje van dezelfde lengte. En ze staarden me beiden aan.
Als ze tenminste ogen hadden gehad.
Even was ik verstijfd van angst, maar na een paar momenten hervond ik me. Haastig draaide ik me om, wilde zo snel mogelijk naar de beschutting van de bomen.
Maar ik zag dat het pad werd versperd door de twee kinderen.
Hoe was het mogelijk? Ze stonden een seconde geleden nog op het eiland.
“Je moet ons helpen”, zeiden ze in koor, hun stemmen monotoon. Ik wilde niet kijken naar hun misvormde, bleke gezichtjes. “Je bent de enige die ons kan helpen.”
Ze staken hun armen naar voren en kwamen mijn kant op. Ik wilde wegrennen, maar mijn voeten wilden niet. Een paar passen nog, dan zouden ze me vastgrijpen.
Ik schreeuwde het uit, maar uit mijn mond kwam geen geluid.
De handen van de kinderen zagen eruit als vogelklauwen. Als ze me vast zouden pakken was ik er geweest. Dat voelde ik.
“HELP!” schreeuwde ik, en vond mezelf verstrengeld in mijn dekens, badend in het zweet.
Een droom. Gewoon een verschrikkelijke nachtmerrie.
Maar ergens voelde ik dat het meer was dan dat. Ik ging rechtop zitten en nam een slok water, checkte mijn telefoon. 3:00 uur ’s nachts. Ik was klaarwakker.
Met een zucht zakte ik terug in bed en staarde naar het plafond.
Het was nu een paar weken geleden dat het verdwenen meisje uit het niets was opgedoken. Tess.
De vondst had de hele tamtam weer op gang gebracht. Opnieuw had de politie het hele bos afgezocht, waren de vrijwilligers opgetrommeld.
Maar van haar vriendje Sem was geen spoor.
En nu had ik hem in mijn droom gezien, naast het dochtertje van Henk. Jij bent de enige die ons kan helpen.
Maar hoe dan?
Ik deed geen oog dicht die nacht, en op kantoor kon ik de ene na de andere geeuw niet onderdrukken.
Ik wierp een blik naar links, waar Gijs me vluchtig aankeek. Normaal gesproken had hij een bijdehante opmerking gemaakt, maar mijn collega was stil de laatste tijd.
Verdacht stil.
Eerst had ik het toegeschreven aan zijn schuldgevoel over de verdwijning van de kinderen, maar er was iets vreemds gebeurd, de middag dat ik Tess vond.
Op het moment dat ik haar het kantoortje inloodste en ze Gijs zag, begon ze te krijsen. “Niet hij! Hij heeft ons naar het monster gebracht. Ik wil niet terug!”
Gijs werd lijkbleek, Henk en ik waren stomverbaasd. Uiteindelijk gebaarde Henk naar mijn collega dat hij het kantoor uit moest gaan.
We wisten Tess uiteindelijk tot bedaren te brengen en droegen haar over aan de politie, die haar met haar ouders herenigde. De agenten zeiden dat ze nog contact met me zouden opnemen.
Ik kreeg niet de kans Tess meer te vragen, over waar ze al die tijd was geweest. Vastgehouden in een hutje, door een monster. Dat was het enige wat ik wist.
Maar sinds de gebeurtenis bekeek ik Gijs met andere ogen. Waarom was Tess zo overstuur geworden toen ze hem zag? Wat was er echt gebeurd, die dag dat ze verdween?
“De directrice wil je spreken.” Henk stond naast mijn bureau.
Ik keek hem stomverbaasd aan. “Wat?”
“Je hoorde me wel, toch?” zei hij nors. “Ze is in de vergaderruimte.”
In trance stond ik op en liep de gang op. Bij een deur aan het einde van de hal hield ik halt en klopte.
“Ja, ja, de deur is open.” Ik herkende de kille stem meteen en stapte naar binnen.
Daar, aan het einde van de lange tafel, zat de dame die me had gedwarsboomd bij mijn sollicitaties. Die me min of meer had gedwongen in dit verschrikkelijke bos te blijven.
“Ah, daar ben je. Ga zitten.” Ze klapte haar laptop dicht.
Ik nam plaats.
Ze keek me aan en glimlachte. Het zag er akelig uit op haar smalle, wezelachtige gezicht. “Ik ben mevrouw Dirksen. Maar dat had je al uitgevogeld, volgens mij.” Ze grinnikte. “No pun intended.”
Mevrouw Dirksen liet een korte stilte vallen. “Dus… je bent hier nu een paar maanden. Bevalt het een beetje?”
Ik keek haar aan. “Is dat een grap?”
Ze grinnikte. “Ja, het moet niet helemaal zijn wat je ervan verwacht had.”
Ik viel met de deur in huis. “Wat is er in godsnaam aan de hand in dit bos?”
Dirksen glimlachte weer. “Ah, to the point. Houd ik wel van.” Ze maakte een handgebaar, alsof ze een vlieg wegsloeg. “Goed. Ken je Area 51?”
“Iedereen kent Area 51.”
Weer dat handgebaar. Ik begon een hekel aan haar te krijgen.
“Dit is ons Area 51”, zei Dirksen. “Althans, iets soortgelijks. Er gebeuren hier… dingen die we niet begrijpen.”
“Zoals kinderen die spoorloos verdwijnen”, zei ik boos. “Jullie zouden hier helemaal geen mensen toe moeten laten. De plek hermetisch afsluiten.”
“Dat werkt misschien in Amerika, maar in dit dichtbevolkte land is dat geen optie”, zei Dirksen. “Dit is een populair natuurgebied en Nederlanders pikken het niet als ze ineens de toegang wordt ontzegd.”
Ze zuchtte. “En de zaken waren redelijk onder controle de laatste tien jaar. Tot dat ene incident. En toen de verdwijning van die twee kinderen…”
“Welk incident?”
“De verdwijning van een van onze boswachters”, zei ze. “Dat was net voor we jou aannamen. Je hebt het misschien niet meegekregen, het was een voetnoot in het nieuws. Daar hebben we voor gezorgd.”
Ze opende haar laptop, klikte wat en draaide het scherm naar me toe.
Mijn maag veranderde in ijs.
Met ogen en een glimlach zag hij er iets anders uit, maar er was geen twijfel over mogelijk. Dit was het lijk dat ik twee keer in het bos had gezien.
“Ja, jij hebt Richard ontmoet hoorde ik”, zei Dirksen toen ze mijn blik zag. “Moet nogal schrikken zijn geweest.”
Mijn mond was kurkdroog. “Hoe weet jij dat?”
Weer het handgebaar. “Ik heb het politierapport gezien. Was niet zo blij dat Henk ze direct had opgetrommeld, maar so be it. We kunnen niet alles tegenhouden.”
Ze sloot haar laptop weer en keek me indringend aan. “We hadden dit niet verwacht toen we je aannamen. Je was echt bedoeld als aanvulling op onze boswachters.”
“Maar je hebt duidelijk een… connectie met dit bos. Daarom willen we koste wat kost dat je blijft. Vandaar de loonsverhoging. Jij bent onze ogen en oren.”
Er kwamen allemaal vragen in me op, maar die kon ik niet meer stellen. “Dat was alles”, zei Dirksen bruusk. “Je kunt gaan.”
“Maar… wat…” stamelde ik. Dirksen keek me ongeduldig aan. “Wat moet ik precies doen?”
“Voor nu, niets dan wat je altijd doet. Henk blijft je directe leidinggevende.” Ze begon weer op haar laptop te tikken, gunde me geen blik meer waardig.
Bedeesd stond ik op en drentelde terug naar kantoor. Wat was er net gebeurd?
Ik werkte achter mijn bureau aan een verslag, maar had nauwelijks door wat ik opschreef. In mijn hoofd speelde ik het gesprek met de directrice keer op keer af. Jij bent onze ogen en oren.
Bovendien werd ik afgeleid door Gijs, die onrustig heen en weer draaide op zijn stoel.
Het stoorde me op een gegeven moment zo dat ik geïrriteerd opzij keek. “Is er iets?”
Maar ik schrok toen ik mijn collega zag. Hij zag er verschrikkelijk uit, zijn gelaat asgrauw en donkere kringen onder zijn ogen.
“Jezus Gijs, gaat het wel?”
Gijs schudde zijn hoofd. “Nee. Ik… Ik voel me niet zo goed. Denk… denk dat ik even naar de wc ga.” Hij stond haastig op en rende bijna naar de gang. Henk en ik keken hem verbaasd na.
Maar toen Gijs na een halfuur nog niet terug was, werd ik ongerust.
“Ga even kijken hoe het met hem is”, mompelde ik. Henk haalde ongeïnteresseerd zijn schouders op.
Ik liep de gang op en zag dat de deur naar de toiletruimte open stond. Behoedzaam liep ik naar binnen. Het was er ijskoud en ik zag dat één van de hokjes op slot zat.
“Gijs?” Er kwam geen antwoord. Ik herhaalde zijn naam, maar mijn collega reageerde niet. Nu begon ik echt ongerust te worden en morrelde aan de deur. Die zat potdicht.
“Gijs!” riep ik nog eens. Ik keek omhoog en kon mijn handen net over de bovenkant van de deur krullen. Met wat moeite tilde ik mezelf omhoog en zette mijn voeten tegen de deur. Nu kon ik naar binnen kijken.
Het hokje was leeg, maar het raam erachter stond wagenwijd open. Nu begreep ik waarom het hier zo koud was.
Ik klauterde over de deur en liet mezelf aan de andere kant vallen. Bij het neerkomen dwarrelde er wat omhoog. Eerst dacht ik dat het stof was, maar toen ik beter keek sloeg mijn hart over.
Veren.
Buiten, niet ver weg, klonk het krakerige vogelgeluid.
Ik dwong mezelf uit het raam te kijken. Er bewoog iets aan de rand van het bos, maar voor ik beter kon kijken was het verdwenen.
Haastig draaide ik het slot om en duwde de deur open. Daar stonden Henk en de directrice.
“Ik geloof dat Gijs zijn functioneringsgesprek niet gaat halen”, zei Dirksen droog.



Fantastisch! Arme Gijs ☠ Nou ja... ach, het scheelt hem wel een functioneringsgesprek met Dirksen. De vraag is wat erger is 🤷🏼♂️
Het wordt steeds verrassender, top!