Ik ben boswachter. Er zijn dingen die we bezoekers niet vertellen. Deel 5.
Deel 1 | Deel 2 | Deel 3 | Deel 4
Hij kwam dichterbij. Ik zag nog niets, maar het lawaai verraadde dat er iets reusachtigs door het bos raasde.
Elk moment kon hij op me af duiken.
Ik wierp een snelle blik op de ring zout die ik om me heen had gevormd.
Mijn hartslag steeg. Hoeveel nachtmerries er ook op mijn pad kwamen, dit wende nooit.
Nooit.
Het liefst had ik meteen rechtsomkeert gemaakt, de benen genomen.
Maar ik moest dit doen. Het was mijn roeping. Of het nu in dit onbeduidende Nederlandse bos was, in de uitgestrekte wouden van Polen, of in de Amazone.
Zolang het kwaad hier de vrije hand had, zouden er nog veel meer mensen verdwijnen, overgeleverd aan een vreselijk lot.
En dit ritueel faalde nooit.
Die gedachte sterkte me en ik voelde aan de zilveren ketting, bevingerde het stervormige symbool.
Het monster was nu op tientallen meters afstand. Het was tijd.
Ik prevelde langzaam de eeuwenoude woorden.
Maar ik kreeg de kans niet hem te trotseren.
“Verdomme man, hadden we niet gezegd dat je weg moest blijven? Je maakt de andere bezoekers zenuwachtig!” hoorde ik achter me.
Ik zuchtte diep.
In het bos viel het stil. Misschien stond het monster toe te kijken, af te wachten. Waarschijnlijk was hij al verdwenen.
Hoe het ook zij, mijn kans was verkeken.
Ik draaide me woedend om. “Je hebt geen idee wat je hebt verpest”, snauwde ik de boswachter toe.
Die was onverstoorbaar en pakte me bij mijn arm. “Mee naar kantoor jij ouwe, dan bel ik de politie. Die praatjes van je zijn schadelijk.”
Ik sloot mijn ogen en voelde opnieuw aan mijn ketting. Morgen weer een dag.
13 juli, 2002
Met kippenvel over mijn hele lijf keek ik op van het hoofdstuk dat ik net had gelezen. Het dagboek van mijn grootvader, decennia geleden geschreven.
Ik bleek niet het enige familied dat zich ooit in dat bos had verloren.
In mijn herinnering was hij de liefste opa ooit. Maar mijn ouders hadden altijd op meewarige toon over hem gepraat.
Ze zouden hem nu een ‘conspiracy theorist’ hebben genoemd. Hij geloofde in een schaduwwereld, waar dingen gebeurden die het daglicht niet konden verdragen.
Dat hij zich vooral met het onverklaarbare bezig hield, daar was ik vandaag pas achtergekomen.
Maar ik loop op de zaken vooruit. Hoe ben ik hier gekomen, op de stoffige zolder van mijn ouders?
Opnieuw was ik ziek naar huis gegaan, al was het niet op eigen initiatief.
Dirksen had me bruusk weggestuurd, nadat ik de wc-vloer had ondergekotst.
Dat leek ze met tegenzin te doen. Ze was eerder nieuwsgierig dan ongerust over Gijs’ plotselinge verdwijning.
“Neem je rust”, zei ze met glinsterende ogen. “Ik wil dat je zo snel mogelijk door het bos heen gaat. Kijken of je iets op het spoor komt.”
Ze was knettergek.
Ik dacht erover per direct ontslag te nemen. Dan maar even geen baan. Ik had spaargeld, en ik kon altijd tijdelijk bij mijn ouders intrekken.
Alleen jij kunt ons helpen. Ik schudde mijn hoofd. Dat was een droom geweest.
Maar alles wat ik had gezien? Wat Henk me had verteld? Dirksen?
Op dat moment lichtte mijn telefoon op: mijn moeder. Of ik zin had om vanavond te komen eten.
Ik wilde bijna weigeren, maar besloot dat ik wel wat afleiding kon gebruiken.
Een paar uur later zat ik aan de keukentafel van mijn ouders boerenkool te eten. Ik prikte wat met mijn vork in het prakje, had nog steeds geen honger.
“Gaat het wel goed, jongen?” vroeg mijn moeder ongerust, terwijl ze mijn vaders bord vol schepte. “Je ziet zo bleek.”
“Nog steeds naar je zin in het bos?” Mijn vader deed geen moeite de scepsis in zijn stem te verbergen. Als account manager vond hij het doodzonde dat ik mijn sales-carrière had opgegeven.
Ik knikte. “Maar er is wat gedoe”, mompelde ik.
Understatement of the year.
“Ach ja, die verdwenen kinderen”, zei mijn moeder hoofdschuddend. “Verschrikkelijk. Weet je zeker dat je daar nog wel wilt werken?”
“Ik twijfel ernstig”, zei ik eerlijk.
“En dan te bedenken dat jij vroeger ook eens in dat bos bent verdwaald”, zei mijn vader. Hij nam een hap boerenkool.
Ik liet mijn vork met een klap vallen en mijn vader schrok zo dat hij zich verslikte.
“Wat – wat?” stamelde ik. “Ik, verdwaald? In dat bos?”
Mijn moeder keek me met grote ogen aan, terwijl mijn vader hoestend opstond om een glas water te pakken.
“Ja, toen je een jaar of 12 was”, antwoordde ze. “Het ene moment liep je nog voor ons, het andere moment was je spoorloos verdwenen.”
“En toen?” hoorde ik mezelf zeggen. Mijn stem leek van ver te komen.
“Ik bleef met je zusje achter, terwijl je vader ging zoeken.” Ze schudde haar hoofd. “Het was vreselijk, dat wachten.”
“Maar jullie hebben me gevonden.”
“Ja, tuurlijk. Net toen we alarm wilden slaan zagen we je zitten. Bij dat kleine meertje.”
Mijn hart sloeg een slag over. Ik dacht aan het eilandje, mijn droom. De kinderen.
“Ik weet het nog goed. Je had je zilveren ketting vast, dat ding dat je van opa hebt gekregen.”
Ik haalde de ketting in gedachten onder mijn trui vandaan. Sinds ik het had gekregen op zijn sterfbed, toen ik een jaar of elf was, had ik het elke dag om. Een ketting met stervormig symbool.
Maar verdwaald in het bos. Waarom kon ik me dat niet herinneren?
Mijn moeder keek verbaasd naar de ketting. “Ik wist niet dat je die nog steeds droeg!” Ze kreeg het plotseling te kwaad en veegde haar handpalm langs haar ogen.
Mijn vader was weer aangeschoven en wreef mijn moeder onbeholpen over haar rug, voor hij een nieuwe hap boerenkool nam.
“Je opa had zijn demonen, maar hij was de liefste vader die je je kon wensen”, zei ze met overslaande stem. Er liep een traan over haar wang. “Ik mis hem nog iedere dag.”
Er schoot me iets te binnen over opa, iets waarvan ik het gevoel had dat het belangrijk was. “Hield hij geen dagboeken bij?”
Mijn vader maakte een afkeurend geluid, maar hij kreeg een por van mijn moeder. “Ja, dat klopt. Maar zoals ik al zei… hij had zijn problemen. Vooral na de scheiding.”
“Hij geloofde in sprookjes, bedoel je”, zei mijn vader. “En daarom verwaarloosde hij zijn gezin. Sorry schat, ik weet dat je ontzettend van hem hield, maar het is zo.”
Mijn moeder antwoordde niet.
“Mag ik die dagboeken zien?” vroeg ik.
“Ga je gang”, zei mijn moeder afwezig. “Ze liggen in een doos op zolder.”
En zo ben ik hier beland, op mijn knieën naast een oude doos dagboeken. Ze bestreken jaren, vertelden het ene na het andere paranormale avontuur.
Van poltergeisten, tot ontmoetingen met big foot-achtige wezens.
Ik moest mijn vader gelijk geven dat het allemaal krankzinnig klonk, als een plotlijn van The X-files. Opa had zich een spokenjager gewaand, er de hele wereld voor over gereisd.
Zijn gezin ervoor in de steek gelaten.
Maar een ander deel van me dacht aan alles wat ik in dat bos had gezien.
Had hij echt een manier om te stoppen wat daar aan de hand was?
Het hoofdstuk dat ik zojuist had gelezen was zijn laatste geweest. 13 juli 2002. Hij had een week later een beroerte gekregen, was kort daarna overleden.
Ik voelde aan de ketting. Als er een kans was om de verdwenen kinderen te redden… Sem, misschien zelfs Inge. Moest ik die dan niet grijpen?
Mijn ogen vielen op iets in de kantlijn, op de laatste beschreven bladzijde van het dagboek. Het was een vreemde taal. Latijn, zo leek het.
Ik dacht aan wat opa had geschreven. Langzaam prevelde ik de eeuwenoude woorden.
Hoewel ik me gestoord voelde, nam ik het dagboek onder mijn arm en daalde de trap af.
Ik deed mijn best zo onopvallend mogelijk het bos in te rijden, vermeed kantoor. Het was dan wel zondag, ik had een vermoeden dat Dirksen niet veel op had met weekendrust.
Mijn auto draaide ik een afgelegen terrein op, aan de westkant van het bos. Het mocht de naam van een parkeerplaats nauwelijks dragen.
Ik zette de motor af en haalde diep adem. Ging ik dit echt doen? Een deel van me voelde zich knettergek.
Mijn blik flitste naar de achteruitkijkspiegel en ik verstijfde.
Vanaf de achterbank keek mijn grootvader me recht aan, een vredige blik in zijn ogen. Hij was net zo oud als de dag dat we afscheid hadden genomen, en knikte me toe, een glimlach rond zijn lippen.
Ik knipperde met mijn ogen en hij was weg. Zonder erover na te denken griste ik zijn dagboek van de passagiersstoel en wandelde het bos in.
Thuis had ik nog even gedubd waar ik het ritueel zou proberen. Eerst wilde ik naar het meertje gaan, maar toen dacht ik aan het houten gebouw dat Gijs en ik een paar weken hadden gespot.
Als de vogelman zich ergens schuil hield, moest het daar wel zijn.
Ik hield halt op de plek waar ik vermoedde dat Gijs me de houten structuur had aangewezen.
Maar op deze vredige winterochtend was er niets te zien. Toch voelde het vreemd in het bos, alsof er iets in de lucht hing. Een stilte voor de storm?
Of maakte ik mezelf nog steeds dingen wijs?
Ik wachtte af. Nu ik hier stond, had ik eigenlijk geen idee wat ik moest doen. In opa’s dagboek was het monster op hem afgekomen. Had hij hem gelokt?
Opnieuw was er dat gevoel dat ik met iets gestoords bezig was. Maar toch haalde ik diep adem en schreeuwde: “Hey! Als je daar bent, kom te voorschijn! Ik ben niet bang! Kom op!’
Mijn stem klonk akelig hol in het doodstille bos, maar er gebeurde niets.
Nee, dat was niet waar.
Ik zag opeens iets, tussen de bomen.
Een houten structuur.
Net toen ik op het gebouw af wilde stappen, hoorde ik in de verte geluiden. Het geknap van twijgjes, geritsel van bladeren.
Er kwam iemand mijn kant op. Dit gebeurde écht.
Mijn hart ging als een razende tekeer, maar ik had de tegenwoordigheid van geest om het dagboek te pakken en naar de juiste pagina te bladeren.
Ik prevelde de vreemde woorden, geen idee wat ik zei. Mijn ketting hield ik zo hard vast dat mijn vingers gevoelloos werden.
En ineens bedacht ik me dat ik de ring met zout was vergeten. Het potje lag nog in de auto. Shit.
Maar er gebeurde niets. Om me heen was het weer stil. Ik hoorde alleen het zachte gezoem van de autoweg.
Ik tuurde het bos in, maar het houten gebouw was weg, verdwenen alsof het een fata morgana was geweest.
Hadden mijn ogen me bedrogen?
Ik durf het bijna niet toe te geven, maar op dat moment voelde ik opluchting. Met een diepe zucht draaide ik me om. Terug naar de auto dan maar.
Ik botste hard tegen iemand op en het dagboek gleed uit mijn hand. Ik hapte naar adem toen ik hem aankeek. Ondanks zijn uitgestoken ogen was het onmiskenbaar.
Het was Gijs.
Zijn ijzingwekkende schreeuw ging door merg en been. Voordat ik überhaupt de kans kreeg weg te komen, schoten zijn armen naar voren.
Ik kneep mijn ogen dicht, verstijfd van angst. Maar er gebeurde niets.
Toen ik mijn ogen weer opendeed zag ik dat Gijs een stap naar achteren had gedaan. Zijn blinde blik leek gefixeerd op de ketting om mijn hals, die ik vasthield.
De talisman leek te werken. Maar hoe het me zou helpen wist ik niet.
“Waarom heb je niet naar me gezocht?!” krijste Gijs. Zijn adem rook afschuwelijk, een geur zo rot dat ik moest kokhalzen. “Waarom heb je me niet gered?”
Vanuit mijn ooghoek zag ik meer beweging. Richard, de verdwenen boswachter, schuifelde uit de struiken, zijn ogen donkere schachten.
En achter me hoorde ik het krakerige vogelgeluid, akelig dichtbij.
Ze hadden me ingesloten. Hoe kon ik zo stom geweest zijn?



Aan de ene kant vind ik het heel erg leuk dat dit een meerdelig verhaal is, maar ik vind het ook vreselijk dat ik niet direct verder kan lezen
Dit doet me zo denken aan mijn vader. Hij schreef ‘rafels’. Onwerkelijk maar toch, alsof hij daar echt was. En met 1 daarvan ben ik verder gaan schrijven. Soms weken achtereen schrijf ik niet verder, dan moet ik eerst weer in zijn gedachten zien te komen. Hij is inmiddels overleden en ik heb nu zoveel vragen.