Ik ben boswachter. Er zijn dingen die we bezoekers niet vertellen. Deel 6 (slot)
Deel 1 | Deel 2 | Deel 3 | Deel 4 | Deel 5
Mijn ogen schoten open.
Uit alle macht probeerde ik te bewegen, maar ik voelde dat mijn handen en voeten vastzaten.
Waar was ik in godsnaam?
Paniekerig keek ik om me heen. Het voelde bedompt in de schemerige ruimte, de muren waren ruw op elkaar gestapelde balken. In de hoek stond een ketel te pruttelen op een groot vuur.
Verder was het doodstil.
Dit moest zijn schuilplaats wel zijn. Het houten gebouw dat ik van ver had gezien.
Hij had me eindelijk te pakken.
Doodsangst gierde door mijn lichaam, maar ik probeerde mijn hoofd koel te houden. Me te herinneren wat er precies was gebeurd.
Hoe was ik hier gekomen?
Langzaam kwam het terug.
Ik herinnerde me het krakerige vogelgeluid, vlak achter me. Gijs en Richard die dreigend voor me stonden.
Dat ik niet wilde omdraaien naar het geluid, maar het toch deed.
En eindelijk oog in oog met hem stond.
De vogelman.
Eigenlijk was hij precies zoals ik me had voorgesteld, maar dat maakte hem niet minder angstaanjagend.
Hij was een abominatie. Iets dat op een reusachtige vogel leek, maar opvallend menselijk was.
Hij torende boven me uit, zijn vleugels gespreid. Hier en daar misten veren op zijn lichaam, zag ik stukken blote huid.
En het waren geen kraaloogjes die me aankeken, maar donkerbruine ogen. Ogen die toebehoorden aan een mens.
De vogelman sprak me toe. Niet door zijn snavel, maar in mijn hoofd.
“We ontmoeten elkaar weer”, klonk het spottend. “Wat was precies je plan? Dit is mijn bos. Mijn domein. Alles hier buigt naar mijn wil. De bomen, de dieren, het water, de wind. Tot het mos bij je voeten. Er is niets wat je kunt doen om mij te stoppen. *Niets.*”
Ik greep naar mijn hoofd en schreeuwde, want bij elk woord was het alsof een mes door mijn hersenen werd gestoken.
“Maar laten we een deal sluiten.”
Ik keek op, met tranende ogen. De pijn was bijna ondraaglijk. En daar zag ik ze staan. Sem en Inge, hand in hand, een paar meter achter de vogelman.
“De kinderen hebben hun plicht gedaan, ik heb niets meer aan ze. Ze zijn vrij om te gaan.”
Ik keek hem aan, vol ongeloof.
“In ruil voor jou.” Hoewel een vogelgezicht onmogelijk emotie kon tonen, dacht ik iets in zijn blik te zien. Honger. “Doe die ketting af en de kinderen zijn vrij.”
Ik keek naar Sem en Inge, naar hun blinde gezichtjes. Ze begonnen te krijsen. Het was verschrikkelijk. “Alsjeblieft, help ons! Je bent de enige die ons kunt helpen! Alsjeblieft!”
De vogelman staarde me aan. Hij wachtte af.
Ik dacht na, twijfelde. Maar toen zag ik mijn opa in mijn gedachten. Wat zou hij hebben gedaan?
Daar hoefde ik niet lang over na te denken. Hij was de beste persoon die ik had gekend.
Met één ruk trok ik de ketting van mijn nek.
Het laatste wat ik zag waren twee identieke grijnzen op de gezichtjes van de kinderen.
Natuurlijk.
Het was allemaal een truc geweest, vanaf het moment dat ik ze in mijn droom had gezien. Ze waren al lang onderdeel van de vogelman, onderdeel van dit bos.
Iets of iemand ramde tegen me aan en alles werd zwart.
Het volgende moment was ik wakker geworden in de hut.
Gedachten schoten door mijn hoofd. Waarom was ik zo’n prijs voor hem? Iets in mijn genen, iets dat mijn opa had overgedragen? Of hield hij gewoon van een uitdaging?
Het bleef stil. Ik wrikte wat aan het touw aan mijn polsen, maar dat gaf niet mee. Of…
Ik schrok op van gekraak. Frisse lucht bereikte mijn gezicht, toen werd de deur weer dichtgesmeten.
De reusachtige figuur schuifelde naar de ketel, pakte er iets uit. Een moment later was het afschuwelijke, besnavelde gezicht recht voor me. De dierlijke stank die van hem afkwam was bijna ondraaglijk.
Ik hield mijn blik naar beneden, wilde hem niet aankijken. Hij duwde iets tegen mijn mond. Een grote lepel.
Mijn lippen hield ik stijf op elkaar, maar alsnog proefde ik iets van de ranzige vloeistof. Modderig, paddenstoelachtig, bitter.*Hij gaf ons vieze soep.*
“Nog geen trek?” klonk het spottend. De pijn was dit keer minder, alsof ik gewend raakte aan de inwendige stem. “Dat komt wel, over een paar dagen.”
Hij verdween uit mijn gezichtsveld en ik zag dat we niet alleen waren. In de hoek van de hut was hij weinig meer dan een schim, maar ik herkende mijn collega Gijs meteen.
Hij leek me recht aan te kijken en ik zag zijn lippen bewegen. Alsof hij iets duidelijk wilde maken.
Met samengeknepen ogen probeerde ik te ontdekken wat.
En toen zag ik het.
*Touw.*
Dus ik had het goed gevoeld. Het touw om mijn polsen zat los. Waarschijnlijk was Gijs degene geweest die me had vastgemaakt.
Ergens in het monster dat hij was geworden zat nog iets van mijn vriendelijke collega. Iets dat me wilde helpen.
De deur vloog weer open en de vogelman verdween naar buiten, Gijs in zijn kielzog.
Meteen deed ik verwoede pogingen me los te wrikken. Er leken uren voorbij te gaan, maar het lukte. Stukje voor beetje.
Tot het touw van mijn handen gleed. Ik kon het bijna niet geloven.
Net toen ik aan het touw om mijn voeten wilde beginnen, vloog de deur open.
Snel deed ik mijn handen achter mijn rug, alsof ik nog vastzat.
Hetzelfde ritueel herhaalde zich weer. De vogelman schuifelde naar de ketel, dwong me te drinken. Maar ik weigerde ook maar iets van de vloeistof in mijn keel te laten verdwijnen.
De akelige stem grinnikte weer in mijn hoofd. “Het is altijd hetzelfde liedje met jullie. Maar je zult van mij worden, net als de honderden voor jou.”
Er kwamen vragen in me op. Hoelang was hij hier al? Wat was hij? Waarom deed hij dit? Maar ik wilde hem niet de voldoening van mijn nieuwsgierigheid geven.
Dus ik zei niets.
Na een tijd verdween hij weer. En ik wist dat ik mijn kans moest grijpen. Toen ik me ervan had verzekerd dat de vogelman echt weg was, peuterde ik aan het touw aan mijn voeten.
In een oogwenk was ik los en kwam moeizaam overeind, stram van het lange stilzitten.
Behoedzaam tuurde ik door een spleet tussen de balken. Buiten was niets te zien.
In een paar passen bereikte ik de deur waardoor de vogelman net was verdwenen. Ik duwde en…
Op slot.
Natuurlijk.
Ik keek om me heen, maar er was nergens een raam, nergens een andere ontsnappingsmogelijkheid. Met mijn volle gewicht liet ik me tegen de zware, houten deur vallen, maar het hout gaf niet mee.
Een zacht gejammer ontsnapte aan mijn lippen. Ik kon het niet helpen.
Hoe was Tess hier in godsnaam weggekomen?
Nu kon ik mijn paniek niet langer onderdrukken. Ik wilde het uitschreeuwen, maar bedacht me net op tijd.
Vanachter de deur klonken voetstappen. Hij kwam terug.
Zo snel als ik kon rende ik terug naar mijn plek in de hoek en liet me op de grond vallen. Het touw draaide ik haastig om mijn voeten.
En toen voelde ik het, in mijn kontzak. Het potje zout. Ik had het dus toch meegenomen.
Een idee vormde zich in mijn hoofd, een twijfelachtig idee. Want als dit niet werkte, was het zelfmoord.
De vogelman kwam binnen, ging weer naar de ketel. Met de lepel in zijn hand kwam hij op me af, zijn menselijke ogen spottend. “Nog geen trek? Anders wacht ik gewoon tot je in slaap valt. Uiteindelijk vallen jullie allemaal in slaap.”
Met mijn rechterhand trok ik het potje zout uit mijn broekzak, peuterde het dopje eraf. De soeplepel kwam dichterbij, de kop van de vogelman was een paar centimeter van me verwijderd.
En op dat moment richtte ik mijn arm op en smeet het zout in één beweging in zijn gezicht.
Hij deinsde achteruit. Zijn schreeuw ging door merg en been en het leek alsof mijn hoofd in tweeën zou splijten. Maar ik weerstond het, sprong overeind.
Intussen had de vogelman alleen maar oog voor de pijn. Hij stond voorover gebogen, zijn gevleugelde armen voor zijn gezicht. Ik hoorde gesis, dacht zwarte rook te zien.
En ik zag dat hij weer een paar stappen naar achteren deed, richting het vuur.
Ik proefde mijn kans en duwde hem met alle macht.
Maar hij was groot, zwaar. De vogelman wankelde, maar viel niet. Ik probeerde het nog eens. Weer deed hij een paar stappen naar achteren.
Het was niet genoeg.
Erger nog, ik zag dat hij zich herpakte, dat de pijn minder werd. Ik voelde weer wanhoop, wierp een blik op de deur. Moest ik het op een rennen zetten? Zou ik dat overleven?
Er stond opeens iemand naast me. Mijn blik flitste naar links. Gijs.
Even dacht ik dat ik verloren was, dat hij weer in de macht van de vogelman was. Maar hij knikte me toe. “Samen.”
Net toen de vogelman zijn hoofd oprichtte, duwden we hem.
De ketel kletterde opzij, de grauwe soep stroomde over de grond. Het monster stortte in het vuur, waar de vlammen onmiddellijk aan zijn lichaam likten.
Hij krijste. Niet in mijn hoofd, maar in het echt. Het ging door merg en been.
Even stond ik wezenloos te kijken, toen duwde Gijs me naar de deur. “Ga!”
Ik keek naar zijn bleke, misvormde gezicht. “Kom mee dan!”
Hij schudde zijn hoofd. “Te laat.” Hij zweeg even en voegde toe: “Maar ga eens naar mijn moeder, als je wilt. Ze is zo alleen.”
Ik twijfelde, wilde nog van alles zeggen.
De deur vloog open en daar stond Richard. Hij slaakte een woedende kreet en kwam op me af, zijn armen voor zich uit.
Maar Gijs versperde hem de weg. Er ontstond een worsteling tussen de twee en ik keek er vol afschuw naar. Moest ik iets doen?
“GA!” schreeuwde Gijs opnieuw. En op dat moment trok hij Richard mee de vlammen in, die zich door de hut verspreidden.
Ik ging.
Van mijn wilde vlucht door het bos herinner ik me amper iets. Ik struikelde over boomstronken, takken striemden mijn gezicht. Alles wat ik wilde was de vreselijke plek zo ver mogelijk achter me laten.
Terug naar de bewoonde wereld. De normale wereld.
Er leek wel een uur verstreken toen ik eindelijk stopte en hijgend voorover boog.
Nu moest ik wel veilig zijn, toch? De vogelman was opgegaan in de vlammen… toch?
Ik waagde een blik naar achteren en mijn hart stond even stil.
Daar was de hut, akelig dichtbij. De vlammen kwamen inmiddels door het dak. Alsof ik zojuist maar een paar stappen had gezet, geen ellenlange wilde sprint.
“Nee”, stamelde ik. “Dat kan niet. *Dat kan niet*.”
Ik wilde het weer op een lopen zetten, tegen beter weten in, maar stokte in mijn passen. Het pad werd versperd.
Het was net als in mijn droom. Sem en Inge stonden hand in hand naar me te kijken. Maar nu hadden ze identieke, demonische grijnzen op hun gezicht.
“Papa heeft je nodig”, zeiden ze in koor. “Je mag niet weg. Papa heeft je nodig.”
En ze kwamen op me af, razendsnel, hun klauwachtige handen naar me uitgestrekt.
De struiken aan weerszijden van het pad waren te dicht om door te ontsnappen. Ik draaide me om naar de hut, al was dat het laatste wat ik wilde. De deur vloog open.
Een brandende vogelman kwam naar buiten, gillend. Door de vlammen heen kon ik zijn ogen nog zien, de moordlust die eruit straalde. Hij stormde op me af.
Ik was aan de grond genageld, niet in staat te bewegen.
Maar een paar meter voor hij me bereikte, stortte zijn verkoolde lichaam ter aarde, nog steeds gehuld in vlammen. Eén laatste ijzingwekkende gil en het was stil.
Ik dacht aan de kinderen, draaide me met een ruk om.
Als het een sprookje was geweest, zouden ze bij kennis zijn gekomen. Ontwaakt uit hun trance. Ze zouden stamelend gevraagd hebben waar ze waren, dat ze naar huis wilden.
Maar dit was geen sprookje.
Voor mijn ogen zag ik ze in het niets verkruimelen. Een moment later was het alsof ze er nooit waren geweest.
Hetzelfde gebeurde met de hut, en uiteindelijk met het smeulende lichaam van de vogelman. Ik bleef alleen achter in het bos en het leek lichter te worden. De lucht frisser.
Nu wist ik het zeker. Het was voorbij.
Er was geritsel, knappende takjes. Mijn hart ging sneller kloppen. Maar toen zag ik Henk.
Ik moet er verschrikkelijk hebben uitgezien, want hij leek me eerst niet te herkennen. Maar toen slaakte hij een zucht van opluchting.
“Dus Dirksen had gelijk”, zei hij. “Je bent echt terug.”
Ik antwoordde niet. Mijn baas keek om zich heen, snoof. “Voelt anders hier.”
Ik bleef zwijgen, maar zei uiteindelijk: “Hij is weg. Het is voorbij.”
Henk keek me lang aan, alsof hij het niet durfde te vragen. “Inge?”
Ik schudde langzaam mijn hoofd. Zijn schouders zakten naar beneden.
“Ik weet niet waarom ik je geloof, maar ik voel dat je gelijk hebt. Dat het klaar is.”
Hij veegde wat tranen uit zijn ogen. Ik deed alsof ik het niet zag.
Je vraagt je natuurlijk af of ik de taak van mijn opa heb overgenomen. Of ik ook een spokenjager ben geworden, of ik de hele wereld over reis om met monsters te vechten.
Maar nee, mijn dromen zijn niet veranderd. Alles wat ik wil is in de natuur zijn. In dit bos, dat nu niet meer dan een bos is.
Dus ik ging door als boswachter, had het naar mijn zin. De gebeurtenissen leken steeds meer op een vage droom. Een vreselijke nachtmerrie.
Maar aan al het moois komt een einde.
Ik zat vandaag achter mijn bureau aan een rapport te werken, alleen op kantoor. Zoals ik al weken moederziel alleen was. Henk had zich ziek gemeld. Overspannen was de officiële verklaring, geloof ik.
Ik wist wel beter.
Iemand schraapte haar keel.
Dirksen stond voor me. Ik had haar niet meer gezien sinds de laatste keer in haar kantoor. Haar naam was zelfs van de website gewist.
Ze werd vergezeld door twee mannen die ik niet kende. Enorme kleerkasten, hun gezichten uitdrukkingloos.
Snel klikte ik dit verslag open, klaar voor publicatie. Het stond al weken klaar.
Ergens wist ik dat dit moment zou komen. Dat ze me nooit met rust zouden laten. In moordend tempo vlogen mijn vingers over het toetsenbord om de laatste zinnen te typen.
“We moeten even praten”, hoorde ik de directrice zeggen. Haar stem kwam van ver.
En terwijl ik dit verhaal de wereld instuur, zie ik de twee mannen vanuit mijn ooghoek op me afstappen.
Ze mogen mij dan te pakken hebben, de waarheid verdwijnt niet.
Ik hoop maar dat je me gelooft.



Ik lees nooit griezelverhalen maar deze was te spannend om te stoppen!
Super verhaal! Dank daarvoor.